Niet alles is wat het lijkt. Elk kind verdient een veilig thuis

Het liefst was Annemarie bij een vriendinnetje, waar de familie gezellig rond de tafel zat, waar moeder altijd thuis was, waar je gezien en gehoord werd. Het waren de jaren ’80, ergens in een Fries dorp. Ontmoet je Annemarie vandaag, dan zie je een vrolijke, sterke vrouw. Vraag je door, dan zakt haar schild. “Het is een soort leegte,” zegt ze, “iets wat ik miste als kind, een gevoel van geborgenheid, liefde en waardering.”

  • Tekst: Nina Blanken
  • Fotografie: Geisje van der Linden

Annemarie de Vries

Annemarie de Vries heeft sociologie en maatschappelijk werk gestudeerd en is door RadarPersoneel Zorg & Welzijn gedetacheerd bij Veilig Thuis Hollands Midden in Leiden. ’s Ochtends wordt ze in Haarlem-Noord wakker van het geblaf van Guus, haar negen maanden oude puberende teckel. Voelt ze zich rot, dan maakt Guus haar aan het lachen. Hij neemt haar mee naar buiten, brengt haar naar de bloemenkraam en het veldje waar ze een praatje maakt. Door Guus voelt ze zich thuis in de stad waar ze nu drie jaar woont.

Voor haar werk als onderzoeker bij Veilig Thuis maakt Annemarie weinig gebruik van haar eigen ervaringen. Ja, ze heeft wel voelsprieten voor emotionele verwaarlozing en huiselijk geweld. En ja, soms, om vertrouwen te winnen, zegt ze dat ze ook een mens is, met een verleden en een kruisje. Dat ze ook kind is geweest. Maar “bij dit werk mag je je niet laten misleiden.” Niet door de harde termen in een melding, niet door het voorbeeldige gedrag van een ouder, en niet door je eigen gevoelens.

De juiste competenties

Wil je het werk doen wat Annemarie doet, dan moet je over heel wat vaardigheden beschikken. Voor het werk verzamel je relevante informatie door vragen te stellen en feiten van meningen te onderscheiden. Je legt verbanden, schrijft rapportages en benoemt factoren die van invloed zijn op het ontstaan van problematiek. Je hebt bijna dagelijks te maken met crisissituaties, waarbij je goed moet omgaan met de emoties van cliënten. Je hebt een SKJ-registratie nodig en een flinke dosis basiskennis. Kennis van huiselijk geweld en kindermishandeling, maar ook juridische kennis over wettelijke taken, bevoegdheden en gegevensuitwisseling.

“We vragen een hoop van onze medewerkers,” zegt Eus Zegers, manager van Veilig Thuis Hollands-Midden, “maar we verwachten niet dat ze vanaf dag één alles perfect beheersen. We werken met multidisciplinaire teams en iedereen begint onder supervisie van een ervaren collega.”

Als voorbeeld noemt Zegers Sarah de Vos, net als Annemarie gedetacheerd door RadarPersoneel. Sarah is 27 en in 2015 afgestudeerd als klinisch neuropsycholoog. Kijkend naar haar CV zou je niet zeggen dat ze goed aansluit bij Veilig Thuis. Maar doordat Zegers al langere tijd met RadarPersoneel samenwerkt, vertrouwt hij erop dat RadarPersoneel weet wat Veilig Thuis nodig heeft. Sarah bleek gemaakt voor het werk. Toen ze in mei 2017 bij Veilig Thuis kwam werken, volgde ze via RadarPersoneel een basisopleiding tot Jeugdzorgprofessional, ze behaalde een SKJ-registratie en per 1 januari 2018 treedt ze in vaste dienst bij Veilig Thuis.

Een tweede thuis in Oeganda

“Mijn werk is in Leiden, mijn thuis in Amsterdam, en zo eens per maand in Lochem, wanneer ik bij mijn ouders ben,” vertelt Sarah in haar appartement waar op de vensterbanken souvenirs van haar vele reizen liggen: stenen en schelpen uit Jordanië, Zuid-Amerika en midden Afrika. “Mijn tweede thuis is in Oeganda.”

Toen Sarah vijf maanden oud was vertrok ze met haar ouders naar Afrika. Haar vader werkte voor Artsen zonder Grenzen in een Oegandees ziekenhuis. Vijf jaar later ging het gezin met vier kinderen terug naar Nederland. Sarah had er niet alleen een biologisch broertje bij, ook een broertje dat als vondeling door zusters werd verzorgd en een zusje dat als doodzieke baby was afgegeven bij het ziekenhuis. “Mijn ouders voedde ons hetzelfde op en gaven ons de ruimte die we nodig hadden,” zegt Sarah. “Ze hebben het heel erg goed gedaan, want ik zie en voel absoluut geen verschil tussen mijn biologische broertje en mijn geadopteerde broertje en zusje”

Wat Sarah en Annemarie gemeen hebben, is hun interesse in andere culturen en de werking van het brein. Als ze op huisbezoek gaan tonen ze respect door “fatsoenlijk” gekleed te gaan en door hardop te denken. Ze vragen of ze hun schoenen uit moeten doen, maar ook waarom iemand schrikt of wat iemand boos maakt. “Blijven zulke vragen in de lucht hangen dan kan je niets,” zegt Sarah. “Je moet allebei het gevoel hebben dat je begrepen wordt.”
Hun werk kan ontzettend lastig zijn, zoals die casus van de verstoten moeder, waar Sarah aan werkt.

Lastige casus

Ouders zijn gescheiden, de kinderen wonen sinds de scheiding bij vader en alle contacten met moeder zijn verbroken. De kinderen ervaren vader als het beste wat hun is overkomen en moeder als het ergste. Van nature zijn kinderen loyaal naar beide ouders, maar bij een scheiding kunnen ze, om loyaliteitsconflicten te voorkomen, een keuze maken voor één ouder. Bij de casus waar Sarah aan werkt werd de keuze van de kinderen extra gevoed door vader, hij sloeg hen. Uiteindelijk vlucht één kind naar moeder. Maar als Sarah en een collega bij vader op huisbezoek gaan, lijkt alles normaal. Vader en de twee gebleven kinderen zeggen dat er niets aan de hand is: “Ja, er wordt weleens geslagen, maar dat doen alle vaders toch?”

Wat moet je dan als bezorgde onderzoeker? Je bespreekt het altijd met collega’s en andere betrokken instanties, zoals de huisarts en de school. Je bent er voor het kind en probeert het onveilige opvoedsysteem te stabiliseren en veiliger te krijgen. Hierbij hoop je dat ouders vrijwillig hulpverlening zoeken en accepteren. Wanneer dit niet lukt kun je onder andere besluiten de Raad voor de Kinderbescherming in te schakelen.

Even aankloppen

Een casus kan ook anders uitpakken dan je verwacht. Zoals die keer dat Annemarie met werkbegeleider Tinka een Grieks gezin bezocht. Tinka Kreuze werkt nieuwe medewerkers in en bereidt casussen met hen voor. Zo ook deze.

De Griekse vader zou intimiderend en bedreigend zijn, een ontembaar beest, zo stelde Annemarie zich voor. Na het bezoek zei ze tegen Tinka: “Ik zou willen dat mijn vader ook maar een beetje was geweest wat deze man is. Zo liefdevol, zo betrokken.” De buren hadden heftige ruzies gehoord. Maar, zo zeiden vader, moeder en de drie kinderen: “Bij ons gaat alles op luide toon, als we discussiëren, als we lachen. We zijn Grieks, we zijn temperamentvol. En onze deuren staan altijd open.”

De ruzie die de buren hoorden was er een tussen vader en zijn vijftienjarige dochter. Haar vriendje had het uitgemaakt, twee maanden lang zat vader ’s nachts met dochter aan de keukentafel, ze was ontroostbaar. Toen ze zei dat de jongen weer haar vriendje was, schoot vader uit zijn slof. “Je gunt het me niet,” schreeuwde zij, en: “Ik ga de politie bellen.” Broers en moeder bemoeiden zich ermee. Alsof er een bom was ontploft.

Soms lijkt het voor de buren alsof er iets vreselijk mis is. Bepalen wat je zou kunnen doen, kan ontzettend moeilijk zijn, meent Annemarie. Sluit je je ogen, bel je de politie of klop je even aan en zeg je: “Gaat het goed? Ik maak me zorgen.”

Pedagogische onmacht

Door haar sociologenbril ziet Annemarie maatschappelijke normen van wat toelaatbaar is veranderen. Wat is een goede opvoeding, waar mag de overheid zich mee bemoeien, wanneer zijn ouders pedagogisch onmachtig en wanneer doen ze het goed genoeg? Achter de voordeur ziet ze wat de vraagstukken voor een gezin betekenen.

“Die veranderende normen, de verschillende culturen en mijn eigen bagage, maken mijn werk wel eens ingewikkeld,” zegt Annemarie. “Maar ik zou niets liever willen.”

Sarah ziet het brein als een puzzeltje. Bezoekt ze een moeder vol blauwe plekken, dan vraagt ze zich ook af wat er omgaat in het hoofd van haar jonge kindje. Een  driejarig kind dat heeft gezien hoe haar moeder in elkaar geslagen werd, en wanneer de bel gaat roept: “Mama, niet opendoen.” Een zorgelijke, omgedraaide wereld, vindt Sarah: “Elk kind verdient een veilig thuis met gelijke kansen en moet niet het gevoel krijgen zijn of haar ouders te moeten beschermen.”

De meeste ouders die de onderzoekers van Veilig Thuis ontmoeten, doen ontzettend hun best, dat weet Annemarie zeker. “Maar soms,” zegt ze, “kunnen ouders door uiteenlopende redenen of oorzaken niet bieden wat hun kinderen nodig hebben.”
Guus de teckel zit onder tafel, hij piept, en Annemarie zegt: “Mijn ouders zijn ook geen slechte mensen, ze wisten gewoon niet beter. Als er toen een Veilig Thuis was geweest, waren wij als gezin beslist geholpen.”